Methode kiezen? De Research Onion is je beste vriend

Heb je geen idee welke dataverzameling- en data-analysetechnieken en procedures het beste passen bij jouw probleemstelling? De wereldberoemde ‘research onion’, uitgebreid behandeld in het boek ‘Research Methods for Business Students‘ van Saunders, Lewis en Thornhill (2008) helpt je hierbij.

Hulp nodig bij je scriptie?

Vul je gegevens in voor een gratis en vrijblijvend adviesgesprek.

Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.
9
4.5/5

283

Beoordelingen

10.000+ studenten geslaagd

98% slaagt op tijd

Hbo & wo, online & offline

Scriptiebegeleiding sinds 2005

Inhoudsopgave

Aan de hand van de schillen van de research onion krijg je inzicht in de onderliggende issues die ten grondslag liggen aan deze methodische keuzes. Als je dit consequent toepast sta je niet met een mond vol tanden bij het verantwoorden van je onderzoeksmethode. De research onion bestaat van buiten naar binnen uit zes schillen, opgebouwd van algemeen naar specifiek: (1) onderzoeksfilosofie, (2) onderzoeksaanpak, (3) onderzoeksstrategie, (4) methodologische keuzes, (5) tijdshorizon en (6) technieken en procedures.

Research Onion

Research ‘onion‘. Bron: Saunders, Lewis & Thornhill (2008)

1. Onderzoeksfilosofie

De onderzoeksfilosofie die je (bewust of onbewust) hanteert bevat belangrijke aannames over de wijze waarop je naar de wereld kijkt. De ene filosofie is niet perse beter dan de andere, maar zij zijn beter voor verschillende doeleinden:

  • Positivisme: de filosofische positie van de natuurkundige, welke de voorkeur heeft om te werken met een observeerbare (sociale) realiteit met als eindproduct van dit onderzoek generaliseerbare wetten zoals deze ontdekt worden door natuurkundigen (bijv. de wet van de zwaartekracht). Dit onderzoek bestaat veelal uit het formuleren van hypothesen op basis van bestaande theorieën en het toetsen van deze hypothesen op basis van objectief waarneembare of meetbare data.
  • Realisme: deze filosofische positie ziet de waarheid als dat wat onze zintuigen waarnemen als de realiteit, waarbij objecten bestaan onafhankelijk van het menselijk brein. Daarbij is het de vraag of waarnemingen accuraat zijn (direct realisme: ‘what you see is what you get’) of afgeleiden van gevoelens/gewaarwordingen (kritisch realisme: onze zintuigen kunnen ons bedriegen). Sociale wetenschap gaat vaak uit van dit laatste.
  • Interpretivisme (ook wel subjectivisme of (sociaal) constructivisme genoemd). Volgens deze filosofie is het noodzakelijk voor de onderzoeker om verschillen te begrijpen tussen mensen in onze rol als sociale actoren. Zodoende wordt onderscheidt gemaakt tussen objecten en mensen, waarbij wij mensen sociale actoren zijn die de wereld om zich heen interpreteren. Op basis van deze interpretaties passen we onze betekenissen over de wereld om ons heen en ons gedrag aan. Voor de onderzoeker betekent dit dat deze een empathische houding aanneemt om de betekenis die sociale actoren vormen te kunnen begrijpen.
  • Pragmatisme: deze positie ontwijkt het debat tussen positivisme en constructivisme en gaat uit van de onderzoeksvraag. Het bovenstaande continuüm van onderzoeksfilosofieën wordt gehanteerd naargelang de verschillende deelvragen of onderdelen van het onderzoek daar naar vragen.

2. Onderzoeksaanpak

Er zijn grofweg twee benaderingen om onderzoek te doen, welke zich van elkaar onderscheiden in de mate waarin voorafgaand aan het onderzoek de theorie een rol speelt:

  • Deductie: het toetsen van een bestaande theorie. Positivisme is de onderliggende filosofie van de deductieve aanpak. Uit de theorie wordt een hypothese afgeleid, welke wordt geoperationaliseerd (nauwkeurig aangeven hoe de concepten of variabelen worden gemeten) om een relatie tussen specifieke concepten of variabelen voor te stellen. Vervolgens wordt de hypothese getoetst (op basis van waarnemingen/metingen). Het resultaat is het accepteren of verwerpen van de hypothese. Eventueel wordt de hypothese aangepast in het licht van de bevindingen.
  • Inductie: het ontwikkelen van een nieuwe theorie, bijvoorbeeld door mensen te interviewen of te observeren in een organisatie. De inductieve benadering heeft de ruimte om ook de context van het onderzoek in acht te nemen en heeft dan ook zijn oorsprong in het constructivisme, vaak toegepast in de sociale wetenschap.
  • Combinatie: het is heel goed mogelijk om deductie en inductie te combineren binnen hetzelfde onderzoek, maar ook achtereenvolgend aan elkaar. Een bevindingen uit inductief onderzoek kunnen bijvoorbeeld worden getoetst met deductief onderzoek. Andersom kunnen onderliggende mechanismen en alternatieve verklaringen voor bevindingen uit deductief onderzoek worden onderzocht met inductief onderzoek.

3. Onderzoekstrategie

Sommige onderzoeksstrategieën horen duidelijk bij een deductieve of inductieve benadering, maar vaak is dit onderscheid niet duidelijk te maken. Afhankelijk van het doel van het onderzoek zijn de volgende strategieën zijn te onderscheiden:

  • Experiment: is duidelijk een deductieve strategie, hoewel ook vaak toegepast in sociale wetenschappen, met name psychologie. Het doel van een experiment is het bestuderen van causale verbanden en geeft antwoord op hoe en waaromvragen. In een gecontroleerde omgeving (bijvoorbeeld een laboratorium) wordt het verschil tussen de experimentele groep (waar een interventie is gepleegd) en de controle groep (waar geen interventie is gepleegd) onderzocht.
  • Enquête: meestal geassocieerd met de deductieve methode, net als de hieraan gerelateerde interviews en observaties. Wordt vaak toegepast in bijvoorbeeld de bedrijfskunde.
  • Casestudie: deze strategie omvat het empirisch onderzoeken van een of meerdere specifieke tijdelijk fenomenen (een case is bijvoorbeeld een organisatie, persoon of gebeurtenis), waarbij meerdere bronnen worden ingezet (bijvoorbeeld interviews, enquêtes en archieven)
  • Actie-onderzoek: bij deze strategie is de onderzoeker onderdeel van het fenomeen dat onderzocht wordt. Dit is een iteratief proces van diagnose, planning, actie en evaluatie. Er wordt dus niet alleen kennis geproduceerd, maar ook geïntervenieerd.
  • Grounded theory (zelden vertaald als ‘gefundeerde theorie’): wordt vaak gezien als de ‘klassieke’ inductieve benadering. Data wordt verzameld zonder vooraf een theoretisch raamwerk te vormen of te hanteren. Theorie wordt ontwikkeld puur op basis van data gegenereerd door een reeks observaties. Vaak wordt alsnog deductie toegepast aangezien uit de initiële bevindingen voorspellingen worden gegenereerd die worden getoetst met een nieuwe reeks observaties.
  • Ethnografie: ook een inductieve benadering, welke voortkomt uit de antropologie (wetenschap die de mens bestudeert in al zijn aspecten, zowel fysiek als cultureel). Het doel is om een bepaalde sociale wereld te beschrijven en uit te leggen zoals de onderzoekssubjecten die zich hierin bevinden dat zouden doen. Deze strategie kost erg veel tijd en vergt veel flexibiliteit, maar kan diepgaande kennis over specifieke contexten en perspectieven genereren.
  • Archiefonderzoek: maakt gebruik van administratieve gegevens en documenten als voornaamste bron. Hiermee kunnen veel verschillende vragen worden beantwoord, al ben je natuurlijk wel afhankelijk van de beschikbaarheid en kwaliteit van gegevens en documenten.

4. Methodologische keuze

Onderzoeksmethoden kunnen grofweg worden ingedeeld binnen kwalitatief en kwantitatief. Op basis van deze typering zijn verschillende methodologische keuzes mogelijk:

  • Mono method: het toepassen een enkele methode welke kwalitatief dan wel kwantitatief kan zijn.
  • Mixed method: het combineren kwalitatieve en kwantitatieve methoden.
  • Multi-method: het combineren van verschillende methoden, maar wel gelimiteerd tot kwalitatief (bijv. interviews en observaties) dan wel kwantitatief (bijv. enquêtes en archieven).

5. Tijdshorizon

In onderzoek zijn simpelweg twee typen tijdshorizon te onderscheiden:

  • Cross-sectioneel: momentopname, bijvoorbeeld een enquête. Deze aanpak kost relatief weinig tijd.
  • Longitudinaal: een ‘dagboekperspectief’. Dit maakt het mogelijk om veranderingen en ontwikkelingen te bestuderen. Tenzij je al data tot je beschikking hebt kan deze aanpak erg tijdrovend zijn.

6. Technieken en procedures

De bovenstaande schillen van de research onion hebben je als het goed is de weg gewezen naar het meest concrete onderdeel van onderzoek doen, namelijk technieken en procedures, welke we kunnen verdelen in twee fundamentele onderzoeksfasen: dataverzameling en data-analyse. Aangezien deze technieken en procedures deze blogpost veel te lang maken (als je deze zin leest dan mag ik je feliciteren, want dan kun jij waarschijnlijk bovengemiddeld lang je concentratie vasthouden) verwijs ik je door naar onze kennisbank.

Hopelijk heb je wat opgestoken van de research onion. Ik wens je veel succes met je onderzoek!

Sneller afstuderen? Het maximale uit je scriptie halen?

Maak gebruik van de scriptiehulp van de ScriptieMaster. Meld je hier aan voor een gratis en vrijblijvend oriëntatiegesprek.

Heeft dit jou geholpen? Deel het met anderen:

Bekijk meer artikelen

De SPSS data editor
Hoe je een interview voorbereidt waar je trots op kunt zijn
Super student door smart drugs?

Heb je vragen over dit artikel?

Laat een comment achter

Heb je vragen over dit artikel? Laat een comment achter en een van onze
begeleiders zal hem zo spoedig mogelijk beantwoorden

Wij bieden scriptiebegeleiding aan studenten van o.a.:

Inmiddels hebben onze scriptiebegeleiders van nagenoeg iedere vol- en deeltijd opleiding in Nederland studenten mogen ondersteunen bij hun afstudeertraject! Ben je nieuwsgierig geworden welke begeleider jou het beste kan ondersteunen bij jouw specifieke opleiding, studie en onderwerp? Vraag dan een gratis adviesgesprek aan. Hopelijk tot snel!